“toe nou toch, roei harder, hárder!”
Bang en bedreigd zat ik op de stuurstoel van een C2.
Mijn stem sloeg over en ik klemde de stuurtouwen strak in mijn handen.
“Ik krijg er de slappe lach van” hijgde de slag.
“Ik kan niet harder roeien” kermde de boeg.
“Trap op die benen en trek zo hard je kunt” gilde ik.
Want ik was de eerste die de klappen zou krijgen, achterin die boot.

“Hij houdt er mee op” zei de slag en stopte met roeien.
“Nee, daar kómt hij weer”, gilde de boeg en de strijd om wie het snelst was begon opnieuw.
Het geklapper en geblaas was vlak achter ons.
Het dier rende bijna over het water met zijn enorme platte poten en zijn vervaarlijk klapperende vleugels.
Met één klap kan hij je arm breken, had ik ooit gehoord.

De roeisters trokken zo hard ze konden.
Ze liepen paars aan.
Ik zat in elkaar gedoken met mijn hoofd tussen mijn opgetrokken schouders.
“in…..in……in.….in…..” commandeerde ik.
Daar was de lage brug al bij het Pannenkoeken huis aan de kromme Mijdrecht.
Nu moesten we laten lopen en nog gaan liggen ook!
Dan was de vaart eruit en kon onze achtervolger ons te grazen nemen.

“Ach lieve Heer red ons toch”, kreunde ik hardop.
“Hij gaat terug!” juichte de slag, die zien kon wat ik als stuurvrouw achter mij niet zag.
Ja, God zij dank,  de woeste, witte, ziedende zwaan blies de aftocht.
Terwijl we liggend in de boot onder de brug doorgleden besefte ik dat we ook nog terug moesten.
Tijdens onze bange terugtocht, roeiden wij langs de andere wal en de woeste witte zwaan beloerde ons van een afstand.
Waarschijnlijk beoordeelde hij die afstand als voldoende want deze keer werden wij niet achtervolgd.
Opgelucht bereikten wij het vlot van Michiel de Ruyter en konden wij ons verhaal ongeschonden in geuren en kleuren vertellen.
Die lente hebben wij niet meer over de Kromme Mijdrecht gevaren.
Dat begrijpt u zeker wel!